![[IMAGE]](../../images/bckgrnd/int_log9.gif)
IntroBinnen de Golden Retriever Club Nederland (de GRCN) is men al sinds jaar en dag intensief bezig met het verbeteren van het ras. Dit alles met behulp van allerlei commissies (zoals fokaangelegenheden, jacht, gedrag en welzijn, e.d.) en tot volle tevredenheid van de leden. Het bestuur wil die tevredenheid handhaven en heeft een excellent programma in elkaar gezet om haar leden te informeren over alle facetten van het Centraal Fokbeleid (CFB) alvorens een besluit daarover te nemen.
Een reader met
artikelen van voor- en tegenstanders van het CFB werd gemaakt voor de leden (en
voor € 7.50 nog bij te bestellen bij de GRCN voor geïnteresseerden). Als klap
op de vuurpeil werd op 25 september ook een workshop georganiseerd met als
gastspreker de internationaal vooraanstaand geneticus Dr. G. PADGETT van
de Michigan State University uit Amerika.
In het
middaggedeelte van deze workshop was er een presentatie en een discussie met Dr.
Padgett, Leden van de Raad van Beheer, Genetici, GRCN fokkers, GRCN bestuur,
dierenartsen en afgevaardigden van de rasgroepen. In totaal zo’n 40 mensen. In
het avondgedeelte heeft Dr. Padgett een lezing gehouden voor weer zo’n aantal
mensen, maar dit keer voornamelijk fokkers, m.b.t zijn visie op het fokken van
rashonden. Daarin is hij duidelijk: “fokken zoals voorgesteld in het CFB kan
erfelijke ziektes binnen een ras niet verminderen en de gezondheid van een ras
zal dus niet verbeteren!”
Na
het welkomstwoord van de voorzitter (Mevr. Bennis van de GRCN) en een korte
inleiding door de dagvoorzitter (drs. Martin Hovius) stak Dr. Padgett meteen van
wal. Als eerste punt liet hij zien dat er in alle rassen enorm veel erfelijk
ziektes voorkomen. Hij liet de in de literatuur bekende ziektes zien van
nagenoeg alle rassen. Zo zijn er van Poedels de meeste ziektes bekend: 144
verschillende en bijvoorbeeld bij de labradors 111 en de Golden retrievers 98.
In de top 6 van deze lijst komen er 24 erfelijke ziektes voor in alle 6 rassen,
17 ziektes in 5 van de 6 en 19 ziektes komen in 4 van de 6 rassen voor. In
totaal zijn er 60 ziektes bekend die er gemeenschappelijk in zitten. Zou je deze
rassen nu onderling kruisen (genenverbreding…) dan heb je sowieso deze 60
ziektes in dat nieuwe ras zitten! Hoezo minder problemen? Neem daarbij in
ogenschouw dat er van stamboomloze honden in totaal 215 erfelijke ziektes bekend
zijn. Let op: 71 meer dan bij de Poedels uit de eerder genoemde ziektes lijst
(en die 71 is het grootste aantal bij stamboom honden)! Padgett vroeg de zaal
“Hoezo is genenspreiding dan dus DE oplossing voor het verminderen van
erfelijke ziektes? Deze feiten spreken toch voor zich!”
“Is
inteelt of lijnteelt dan slecht? Moeten we dat verbieden?” Padgett benadert de
onderwerpen met praktische voorbeelden en onderbouwt zijn betoog uitstekend met
cijfers en analyses. Om dit onderwerp toe te lichten haalt hij de Faraohond aan.
Afbeeldingen van deze honden zijn al 7000 jaar oud. In die 7000 jaar is de hond
weinig veranderd van type. “Dat zijn ongeveer 2800 generaties lijnteelt en
inteelt” aldus Padgett. In een
boek uit 1600 kwam naar voren dat een worp Faraohonden 6 pups groot was. Anno
2000 is de gemiddelde worpgrootte in de USA nog steeds 6 pups! Honden bestaan al
veel langer dan de regels van Mendel en ook zonder die erfelijkheidsregels kan
men dus toch goede honden fokken. Ook op een smalle basis is dat mogelijk.
“Alle rassen zijn immers begonnen met een zeer klein aantal honden en alle
rassen zijn er nog steeds. Noem me 10 rassen die door inteelt uitgestorven
zijn…..noem me er 5… noem me er één…” zei Padgett tegen de zaal en hij
vroeg dit aan Dhr Gubbels (van de Raad van Beheer) in het bijzonder. Het
antwoord bleef uit (de door de zaal wel genoemde “English White Terrier”,
Dr. Padgett kende het ras niet en kon er dus niet op antwoorden, bleek vanwege
andere redenen niet meer gefokt te zijn).

Het
organiserende team met Dr. Padgett
van links naar rechts: Yvonne Bennis,
Peter van Kollenburg, Dr. George
Padgett, John Kuipers, Raymond Driessen en Toon Roefs
Vroeger
en ook nu is er niet één fokker die met opzet met zieke honden fokt. Dominante
eigenschappen kan elke fokker uit het ras fokken en dat gebeurt ook. Helaas is
dat slechts een klein aantal van de in totaal 517 ziektes die bij honden bekend
zijn. Hiervan zijn er slechts 30 dominant verervend, 164 recessief maar van nog
steeds 279 erfelijke ziektes is de overerving onbekend. Daarnaast openbaren
sommige ziektes zich pas op veel latere leeftijd bij de hond: dus ook pas na het
fokken met de hond. Zo zijn er 76 ziektes bekend die pas na het 3e
levensjaar geconstateerd kunnen worden. Ook al wil je het nog zo goed doen als
fokker, hierdoor kan het gewoon niet dat je ziektevrij fokt. Onderzoek van
nakomelingen is daardoor de enige manier om te gaan verbeteren. Daar zou
iedereen aan moeten gaan werken. Van Raad van Beheer, tot rasvereniging, fokkers
en zeer zeker ook de eigenaren van rashonden: iedereen moet informatie openbaar
maken. Belangrijk daarbij is ook een mentaliteitsverandering: fokkers moeten dit
gaan zien als de goede manier van fokken! “Nu word je bestraft als je eerlijk
bent zegt dat er nakomelingen van je reu bijvoorbeeld op jonge leeftijd
gestorven zijn aan kanker. Je reu wordt niet meer gebruikt terwijl fokkers die
geen informatie geven (mijn reu geeft alleen gezonde pups) beloont worden met
een dekking!” aldus Padgett.
Gebruik al je energie om samen een informatiebank te maken die voor iedereen
toegankelijk is (open registry). Dat is de basis voor reduceren van erfelijke
ziektes volgens Padgett’s theorie.
“Fokkers
willen ‘winners’ fokken (show, jacht, schoothonden…) die natuurlijk ook
gezond zijn. Als een ‘gezonde’ reu echter geen winners produceert zal hij
door de fokkers niet gebruikt worden! Een hond heeft 80.000 genen ter
beschikking om aan al deze eisen te voldoen. Genetici hebben echter slechts oog
voor 100 genen (diegene die wellicht met ziekte vererving te maken hebben). Maar
helaas voor de genetici: je kunt geen goede heupen fokken zonder een puppy erom
heen!” Ofwel kijk daarom eerst naar de totale (fenotypisch goede) hond en geef
aan wat hij aan ziektes vererft om de keuze in het fokken te onderbouwen!
Dr.
Padgett is daarom ook absoluut voorstander van het gebruik van kampioenshonden
in een ras. Hij noemt deze honden “matadoren”.
Hoe meer een hond gebruikt wordt, hoe meer nakomelingen er zijn en des te
meer kom je te weten over zijn erfelijk materiaal. Dit is juist goed want dat
geeft een beter beeld van zijn erfelijk materiaal. Hoe meer zekerheid over de
vererving des te beter de beslissing over de juistheid van de combinatie teef en
reu. Voor Padgett’s manier van ziektes elimineren is een laag aantal dekkingen
van reuen een ramp: op die manier krijg je nooit voldoende zekerheid over het
doorgeven van erfelijke ziektes. Bovendien zal het verbreden van de genenpoule
niet lukken door het verplicht reduceren van het aantal dekkingen van een reu.
Fokkers willen toch die lijn en gaan dan gewoon naar broers of zonen van de
desbetreffende kampioensreu.
Het minimaal aantal benodigde dekkingen, die volgens Padgett nodig zijn, is afhankelijk van de ziektefrequentie in het ras. Wil je ziektes die sporadisch voorkomen elimineren (denk aan Von Willebrand Disease) dan heb je heel veel dekkingen nodig om er iets met grote zekerheid van te zeggen. Veel voorkomende ziektes (HD/ED) kunnen met minder dekkingen/nakomelingen al een betrouwbaar beeld geven. Praat je echter maar over 5-6 dekkingen (zoals voor vele rassen in het CFB) dan is dat in alle gevallen “a serious mistake of disease control.” Volgens Padgett neemt een Matador al gauw tot zo’n 10% van de dekkingen binnen een ras voor zijn rekening!

Zet
vervolgens de gegevens van de matadorvererving af tegen de gemiddelde ziektes in
het ras en je ziet direct of je er statistisch op vooruit gaat met die dekking
of niet. Padgett liet een voorbeeld zien van een onderzoek door hem uitgevoerd
over kanker in Berner Sennenhonden. Uit dat onderzoek kwamen 5 kampioenshonden
naar voren die nog nooit nakomelingen met kanker gegeven hadden. En dus met een
aan 100% reikende zekerheid geen erfelijke aanleg voor kanker doorgeven. Een
must voor een fokker om deze honden in de lijnen te hebben als je een hogere
leeftijd wilt bereiken in je nageslacht. Helaas geven deze honden net als alle
andere reuen wel andere ziektes door zoals maagkantelingen, navelbreuken,
karakterproblemen. Één van deze honden gaf bijvoorbeeld zeer slechte heupen
door (slechter dan gemiddeld in het ras) en dat wil je als fokker dan weer niet
hebben. Maar met deze gegevens weet je dus wat je erbij krijgt naast de langere
levensverwachting!
Natuurlijk
kun je niet alle ziektes weg fokken. Padgett pleit dan ook voor een onderscheid
in ernstige ziektes (waar de hond pijn lijdt, kanker, HD, ED) en minder ernstige
ziektes waar de hond geen last van hoeft te hebben zoals een over/onderbeet of
zelfs entropion dat met een simpele operatie verholpen kan worden.
Al
met al gaf Dr. Padgett een duidelijke weg aan hoe je, met behulp van informatie,
gezondere honden kunt fokken. Volgens hem zal deze manier voorlopig ook de enige
manier zijn. DNA onderzoeken kunnen binnen 10 jaar wel helpen in het traceren
van ziektes die door één enkel gen veroorzaakt worden. Maar zelfs bij mensen
zijn tot nu toe nog geen markers gevonden voor ziektes die door meerdere genen
veroorzaakt worden (poligenetische vererving). Het vergaren en toegankelijk
maken van gezondheidsinformatie is voor iedereen dan ook de eerste stap op weg
naar gezondere rassen!
Het is jammer dat er ‘s middags geen echte discussies hebben plaats gevonden
om de positieve en negatieve aspecten van Padgett’s benadering af te zetten
tegen de insteek van de Raad van Beheer’s CFB gebaseerd op genenspreiding.
Ondanks uitdrukkelijke uitnodigingen hiervoor en het poneren van glasheldere
statements tegen het CFB werden inhoudelijke discussies angstvallig vermeden.
Een gemiste kans voor de Nederlandse kynologie om samen een visie op te zetten
en hiermee veel verder te komen dan een eenzijdige benadering! Want zoals altijd
is ook hier niet die ene visie goed en de andere slecht.

Aan
het bestuur van de GRCN was al eerder voorgesteld om niet over te gaan tot een
CFB naar het voorstel van de Raad van Beheer, maar uit te gaan van het
huidige fokreglement, en daarvoor in de plaats de fokwaardeschatting verder te
gaan ontwikkelen en in te voeren. “De fokwaardeschatting dient om een optimaal
fokbeleid te ondersteunen en inzicht te geven in wat de ouderdieren op zowel
karakter, gezondheid, veldwerk als schoonheid vererven.” aldus Raymond
Driessen, John Kuipers en Toon Roefs.
Zij vertellen verder: “Door openbaar te maken wat individuele honden doorgeven
aan hun nakomelingen kunnen fokkers, op rationele gronden, ZELF beslissen welke
combinatie in hun ogen het beste resultaat zal geven. Op deze manier blijft de
vrijheid van handelen en de eigen visie van de fokkers gegarandeerd.”
Uit
de avonddiscussies kwam duidelijk naar voren dat de fokkers redelijk op één
lijn zitten: meer vrijheid dan momenteel in het CFB gegeven vinden de fokkers
noodzakelijk. Dr Padgett’s manier van werken sprak dan ook bijna alle fokkers
aan. Na deze geslaagde workshop komen er eindvoorstellen over hoe het fokbeleid
er voor de Golden Retrieverclub uit moet zien. Dit fokbeleid wordt voorgelegd aan de ALV van de GRCN in november
2002.
Al
met al is de Golden Retrieverclub een voorbeeld voor andere rasverenigingen. De
GRCN probeert daadwerkelijk de informatie en meningen met betrekking tot het CFB
op een rij te zetten voor haar leden en zelfs voor andere betrokkenen alvorens
besluiten te nemen. Hulde!
Voor
meer informatie het boek van Dr. Padgett: “Control of Canine
Genetic Dieases” George A.
Padgett, DVM, isbn: 0-87605-004-6, Howell Book House, 1998
Tekst: Ir. Peter
A.M. van Kollenburg
Fotografie: José de Bresser